(in bewerking) Middeleeuwen

Home / Alle Thema's... / (in bewerking) Middeleeuwen    |    Terug

Middeleeuwen

Binnen dit thema zijn bronnen te vinden over Alkmaar en de regio in de middeleeuwen. De middeleeuwen hebben in de oudere plaatsen wel documenten en archeologische sporen achtergelaten. Er zijn echter ook gemeenten die pas na de middeleeuwen zijn gesticht of waarvan het archief verloren is gegaan, waardoor de bronnen uit sommige plaatsen ontbreken. De bronnen in dit thema komen uit de gemeenten Hollands Kroon, Alkmaar, Egmond, Heiloo, Akersloot, Schagen, Heerhugowaard en Sint-Pancras.

De tijd van monniken en ridders (500-1000)

Aan het eind van het West-Romeinse rijk raakten veel steden verlaten en veel mensen trokken zich terug op het platteland. Hier zochten ze bescherming van lokale heren en moesten als horigen voor hen allerlei herendiensten verrichten. Na de val van het West-Romeinse rijk in 476 veroverden Friese stammen het grootste deel van Holland, Zeeland, Groningen en Friesland. Zij hadden een heidens geloof en werden geregeerd door verschillende stamhoofden, waarvan een in Den Burg zetelde. De Friesen verenigden alleen achter een koning in tijden van oorlog. Zo ook in 688 toen Pepijn, de hofmeier van het Frankische rijk met een leger naar Utrecht trok. De Friezen verenigden zich onder Radboud, maar werden onder zijn leiding bij Dorestad verslagen. Holland leek hiermee in handen van de Franken te vallen. Pepijn en zijn opvolger stierven echter, waardoor het tot 734 voordat Karel Martel, de zoon van Pepijn de Friezen definitief versloeg en Nederland onder gezag van de Karolingers kwam.

In het jaar 690 kwam de monnik Willibrord aan op de kust van het huidige Nederland. Hij zocht om onder de Friezen het geloof te verspreiden eerst bescherming bij de Frankische hofmeier Pepijn. Willibrord heeft ook in de regio van Alkmaar gepredikt en de eerste kerk in Noord-Holland gesticht namelijk die van Heiloo. Bij Heiloo lag ook een heilige natuurbron volgens de Friezen. Bovenop deze bron sloeg Willibrord een put wat na enkele wonderbaarlijke genezingen een bedevaartsoord werd. Een van zijn leerlingen Adelbertus die ook geholpen heeft bij het verspreiden van het Christelijke geloof werd de patroonheilige van de abdij van Egmond.

Karel de Grote deelde van 769 tot en met 771 de macht met zijn broer Karloman. Karloman overleed echter, waardoor Karel het rijk voor zich alleen had. Karel was een echte krijgerkoning en veroverde onder andere Saksen, Noord-Italië, Beieren en Oostenrijk. Om een sterk leger te kunnen onderhouden maakte Karel de Grote gebruik van het leenstelsel. Hij gaf een stuk grond met boeren aan een lokale edelman die in ruil daarvoor ridders leverde in oorlogstijd.

Dit stuk grond ook wel domein genoemd werd georganiseerd via het hofstelsel. Het hofstelsel was een systeem waarbij de lokale edelman zijn grond in drie delen verdeelde. 2/3 van het land werd gegeven aan onvrije boeren(horigen) die een deel van hun oogst moesten afstaan in ruil voor bescherming van hun heer. Een derde deel van het land was van de heer zelf en de horigen kregen als taak dit land ook te bewerken. De abdij van Egmond is een goed voorbeeld van een geestelijke instelling die het hofstelsel gebruikte op zijn landgoederen.

Karel de Grote maakte ook op een andere manier gebruik van zijn leenmannen. Karel zat namelijk ver weg en had geen middelen om zijn ambtenaren te controleren en te corrigeren. Daarom liet hij zijn leenmannen in zijn naam graafschappen en hertogdommen besturen. Ook Nederland werd in de 8e en 9e eeuw in graafschappen verdeeld. De graven moesten onder andere orde houden, rechtspreken, legers verzamelen en hun graafschap verdedigen.

Het rijk van Karel de Grote viel vijftig jaar na zijn dood uit elkaar toen de zonen van keizer Lodewijk de Vrome het Karolingische rijk in drie stukken opdeelden. De drie Karolingische vorsten waren geregeld met elkaar in oorlog. Tegelijkertijd begonnen Vikingen de kusten van West- en Noord-Nederland te plunderen waardoor keizer Lotharius West-Nederland in leen gaf aan de Vikinghoofdman Rorik. De Vikingen vestigden zich echter niet permanent en aan het eind van de negende eeuw namen hun aanvallen op de Nederlandse kust af.

De tijd van steden en staten 1000-1500

In de 11e tot en met de 14e eeuw was Nederland nog verdeeld in allemaal kleine vorstendommetjes, zoals het graafschap Holland, het bisdom Utrecht, Friesland, het hertogdom Brabant en het hertogdom Gelre. Gedurende deze drie eeuwen vervijfvoudigde de bevolking van de Noordelijke Nederlanden. Om deze bevolking te voeden, lieten de heren en kooplieden grote delen van het veengebied ontginnen. Hierdoor zakte de bodem en ontstonden er grote plassen en meren ter bescherming tegen het water moest men vervolgens allerlei dijken aanleggen.

Het landschap van Noord-Holland onderging een ware transformatie ook deel van deze verandering was de opkomst van de steden. De graven van Holland verleenden in de dertiende tot en met de vijftiende eeuw stadsrecht aan Alkmaar, Schagen, Winkel, Barsingerhorn, Niedorp, Langedijk en Texel. De landsheer deed dit in het geval van Alkmaar in ruil voor hun militaire steun tegen de West-Friezen die ten oosten van de stad leefden. Bij de andere steden ging het vooral om geld. Schagen en de andere steden moesten een bedrag van 7713 Franse kronen betalen aan Willem VI. Vervolgens moesten zij ook nog belasting betalen aan de graaf van Holland.

Met het stadsrecht kregen de steden verregaande autonomie ze mochten hun eigen schepenen en burgemeesters kiezen. Ze mochten hun eigen burgers berechten en beoordelen. De steden hadden zelfs hun eigen kleine stadslegers. Daartegenover stond echter wel dat ze af en toe belasting moesten betalen aan de landsheer en hem moesten helpen in zijn oorlogen.

In de nieuwe steden waren minder mensen vaak bezig met de landbouw, waardoor sommige burgers andere beroepen konden beoefenen. Zo kwamen er smeden, metselaars, timmerlieden, vissers, kledingmakers, schoenmakers, bierbrouwers. Al deze nieuwe beroepen richtten tussen de dertiende en de 18e eeuw gilden op. Dit waren organisaties die voor de belangen van burgers met een beroep opkwamen. Zij reguleerden de prijzen en zorgden ervoor dat alleen burgers uit de stad een product konden maken. In de stad Alkmaar waren de gilden zelfs zo machtig dat ze in 1426 het stadsbestuur mochten benoemen. Helaas voor de gilden hield die regeling niet lang stand.

De ambachtslieden produceerden niet alleen voor de eigen markt, maar ook voor andere afzetmarkten. In de late middeleeuwen herleefde namelijk de internationale handel. Dit werd mede veroorzaakt door de herleving van de monetaire economie en de opkomst van banken. Bij een bank konden kooplieden nu geld wat ze in een andere plaats verdienden opnemen. Ook konden ze betalen met de voorloper van het briefgeld en lenen waardoor goederen kopen en verkopen veel eenvoudiger werd. Kooplieden uit meerdere Duitse en Nederlandse steden sloten zichzelf aan bij een internationaal verbond genaamd de Hanze. Deze handelsorganisatie verdedigde de belangen van al hun kooplieden van Londen tot het Russische Novgorod.

Niet alleen de steden werden sterker ook van de staten groeide hun macht enorm. In de tweede helft van de 14e was Nederland nog verdeeld in allerlei kleine vorstendommetjes, maar daar kwam snel verandering in. In 1384 erfde Filips de Stoute het graafschap Vlaanderen door met de gravin te trouwen. Vervolgens verwierf zijn kleinzoon Filips de Goede door de goede huwelijkspolitiek van zijn vader Brabant en Limburg in 1427. Twee jaar later kocht hij het graafschap Namen van de laatste graaf. Vervolgens dwong hij Jacoba van Beieren in 1433 na een langdurige oorlog tot het afstaan van haar titels. Zij was onder andere gravin van Holland, Zeeland en Henegouwen. Ten slotte kocht Filips ook nog het hertogdom Luxemburg waarna hij los van Friesland, Gelderland (Gelre), Luik en Utrecht het grootste deel van België, Nederland en Luxemburg bezat.

Filips de Goede maakte een begin aan de centralisatie van het bestuur. Hij richtte de Staten Generaal op en een centrale rechtbank. Bovendien begon hij ook structureler belastingen te heffen en kreeg onder hem de Bourgondische staat een staand leger. De toenemende macht van de staat bedreigde soms ook de stedelijke zelfstandigheid. Alkmaar kwam in de vijftiende eeuw twee keer in opstand en werd twee keer verslagen door het Bourgondische troepen. Alkmaar raakte hierdoor twee keer zijn stadsrechten kwijt. Ook Schagen overkwam dit in 1426.

De toenemende macht van de staat was ook een doorn in het oog van de kerk. De katholieke kerk die onder leiding van Innocentius III(1198-1216) op het hoogtepunt van haar macht was, verloor hierna snel terrein. In de 14e eeuw dwong de koning van Frankrijk de paus om naar Avignon te verhuizen. Vervolgens waren er tussen 1376 en 1415 meerdere pausen tegelijkertijd. Ook in het graafschap Holland perkten de graven de macht van de kerk in. Zo bepaalde Albert van Beieren in 1401 dat geestelijken in Alkmaar evenveel belasting moesten betalen. In 1446 verbood Filips de Goede samen met de Staten-Generaal kloosters om nog land te kopen of te erven.

Geschiedenislokaal Regionaal Archief

(in bewerking) Middeleeuwen

Omschrijving

Middeleeuwen

Binnen dit thema zijn bronnen te vinden over Alkmaar en de regio in de middeleeuwen. De middeleeuwen hebben in de oudere plaatsen wel documenten en archeologische sporen achtergelaten. Er zijn echter ook gemeenten die pas na de middeleeuwen zijn gesticht of waarvan het archief verloren is gegaan, waardoor de bronnen uit sommige plaatsen ontbreken. De bronnen in dit thema komen uit de gemeenten Hollands Kroon, Alkmaar, Egmond, Heiloo, Akersloot, Schagen, Heerhugowaard en Sint-Pancras.

De tijd van monniken en ridders (500-1000)

Aan het eind van het West-Romeinse rijk raakten veel steden verlaten en veel mensen trokken zich terug op het platteland. Hier zochten ze bescherming van lokale heren en moesten als horigen voor hen allerlei herendiensten verrichten. Na de val van het West-Romeinse rijk in 476 veroverden Friese stammen het grootste deel van Holland, Zeeland, Groningen en Friesland. Zij hadden een heidens geloof en werden geregeerd door verschillende stamhoofden, waarvan een in Den Burg zetelde. De Friesen verenigden alleen achter een koning in tijden van oorlog. Zo ook in 688 toen Pepijn, de hofmeier van het Frankische rijk met een leger naar Utrecht trok. De Friezen verenigden zich onder Radboud, maar werden onder zijn leiding bij Dorestad verslagen. Holland leek hiermee in handen van de Franken te vallen. Pepijn en zijn opvolger stierven echter, waardoor het tot 734 voordat Karel Martel, de zoon van Pepijn de Friezen definitief versloeg en Nederland onder gezag van de Karolingers kwam.

In het jaar 690 kwam de monnik Willibrord aan op de kust van het huidige Nederland. Hij zocht om onder de Friezen het geloof te verspreiden eerst bescherming bij de Frankische hofmeier Pepijn. Willibrord heeft ook in de regio van Alkmaar gepredikt en de eerste kerk in Noord-Holland gesticht namelijk die van Heiloo. Bij Heiloo lag ook een heilige natuurbron volgens de Friezen. Bovenop deze bron sloeg Willibrord een put wat na enkele wonderbaarlijke genezingen een bedevaartsoord werd. Een van zijn leerlingen Adelbertus die ook geholpen heeft bij het verspreiden van het Christelijke geloof werd de patroonheilige van de abdij van Egmond.

Karel de Grote deelde van 769 tot en met 771 de macht met zijn broer Karloman. Karloman overleed echter, waardoor Karel het rijk voor zich alleen had. Karel was een echte krijgerkoning en veroverde onder andere Saksen, Noord-Italië, Beieren en Oostenrijk. Om een sterk leger te kunnen onderhouden maakte Karel de Grote gebruik van het leenstelsel. Hij gaf een stuk grond met boeren aan een lokale edelman die in ruil daarvoor ridders leverde in oorlogstijd.

Dit stuk grond ook wel domein genoemd werd georganiseerd via het hofstelsel. Het hofstelsel was een systeem waarbij de lokale edelman zijn grond in drie delen verdeelde. 2/3 van het land werd gegeven aan onvrije boeren(horigen) die een deel van hun oogst moesten afstaan in ruil voor bescherming van hun heer. Een derde deel van het land was van de heer zelf en de horigen kregen als taak dit land ook te bewerken. De abdij van Egmond is een goed voorbeeld van een geestelijke instelling die het hofstelsel gebruikte op zijn landgoederen.

Karel de Grote maakte ook op een andere manier gebruik van zijn leenmannen. Karel zat namelijk ver weg en had geen middelen om zijn ambtenaren te controleren en te corrigeren. Daarom liet hij zijn leenmannen in zijn naam graafschappen en hertogdommen besturen. Ook Nederland werd in de 8e en 9e eeuw in graafschappen verdeeld. De graven moesten onder andere orde houden, rechtspreken, legers verzamelen en hun graafschap verdedigen.

Het rijk van Karel de Grote viel vijftig jaar na zijn dood uit elkaar toen de zonen van keizer Lodewijk de Vrome het Karolingische rijk in drie stukken opdeelden. De drie Karolingische vorsten waren geregeld met elkaar in oorlog. Tegelijkertijd begonnen Vikingen de kusten van West- en Noord-Nederland te plunderen waardoor keizer Lotharius West-Nederland in leen gaf aan de Vikinghoofdman Rorik. De Vikingen vestigden zich echter niet permanent en aan het eind van de negende eeuw namen hun aanvallen op de Nederlandse kust af.

De tijd van steden en staten 1000-1500

In de 11e tot en met de 14e eeuw was Nederland nog verdeeld in allemaal kleine vorstendommetjes, zoals het graafschap Holland, het bisdom Utrecht, Friesland, het hertogdom Brabant en het hertogdom Gelre. Gedurende deze drie eeuwen vervijfvoudigde de bevolking van de Noordelijke Nederlanden. Om deze bevolking te voeden, lieten de heren en kooplieden grote delen van het veengebied ontginnen. Hierdoor zakte de bodem en ontstonden er grote plassen en meren ter bescherming tegen het water moest men vervolgens allerlei dijken aanleggen.

Het landschap van Noord-Holland onderging een ware transformatie ook deel van deze verandering was de opkomst van de steden. De graven van Holland verleenden in de dertiende tot en met de vijftiende eeuw stadsrecht aan Alkmaar, Schagen, Winkel, Barsingerhorn, Niedorp, Langedijk en Texel. De landsheer deed dit in het geval van Alkmaar in ruil voor hun militaire steun tegen de West-Friezen die ten oosten van de stad leefden. Bij de andere steden ging het vooral om geld. Schagen en de andere steden moesten een bedrag van 7713 Franse kronen betalen aan Willem VI. Vervolgens moesten zij ook nog belasting betalen aan de graaf van Holland.

Met het stadsrecht kregen de steden verregaande autonomie ze mochten hun eigen schepenen en burgemeesters kiezen. Ze mochten hun eigen burgers berechten en beoordelen. De steden hadden zelfs hun eigen kleine stadslegers. Daartegenover stond echter wel dat ze af en toe belasting moesten betalen aan de landsheer en hem moesten helpen in zijn oorlogen.

In de nieuwe steden waren minder mensen vaak bezig met de landbouw, waardoor sommige burgers andere beroepen konden beoefenen. Zo kwamen er smeden, metselaars, timmerlieden, vissers, kledingmakers, schoenmakers, bierbrouwers. Al deze nieuwe beroepen richtten tussen de dertiende en de 18e eeuw gilden op. Dit waren organisaties die voor de belangen van burgers met een beroep opkwamen. Zij reguleerden de prijzen en zorgden ervoor dat alleen burgers uit de stad een product konden maken. In de stad Alkmaar waren de gilden zelfs zo machtig dat ze in 1426 het stadsbestuur mochten benoemen. Helaas voor de gilden hield die regeling niet lang stand.

De ambachtslieden produceerden niet alleen voor de eigen markt, maar ook voor andere afzetmarkten. In de late middeleeuwen herleefde namelijk de internationale handel. Dit werd mede veroorzaakt door de herleving van de monetaire economie en de opkomst van banken. Bij een bank konden kooplieden nu geld wat ze in een andere plaats verdienden opnemen. Ook konden ze betalen met de voorloper van het briefgeld en lenen waardoor goederen kopen en verkopen veel eenvoudiger werd. Kooplieden uit meerdere Duitse en Nederlandse steden sloten zichzelf aan bij een internationaal verbond genaamd de Hanze. Deze handelsorganisatie verdedigde de belangen van al hun kooplieden van Londen tot het Russische Novgorod.

Niet alleen de steden werden sterker ook van de staten groeide hun macht enorm. In de tweede helft van de 14e was Nederland nog verdeeld in allerlei kleine vorstendommetjes, maar daar kwam snel verandering in. In 1384 erfde Filips de Stoute het graafschap Vlaanderen door met de gravin te trouwen. Vervolgens verwierf zijn kleinzoon Filips de Goede door de goede huwelijkspolitiek van zijn vader Brabant en Limburg in 1427. Twee jaar later kocht hij het graafschap Namen van de laatste graaf. Vervolgens dwong hij Jacoba van Beieren in 1433 na een langdurige oorlog tot het afstaan van haar titels. Zij was onder andere gravin van Holland, Zeeland en Henegouwen. Ten slotte kocht Filips ook nog het hertogdom Luxemburg waarna hij los van Friesland, Gelderland (Gelre), Luik en Utrecht het grootste deel van België, Nederland en Luxemburg bezat.

Filips de Goede maakte een begin aan de centralisatie van het bestuur. Hij richtte de Staten Generaal op en een centrale rechtbank. Bovendien begon hij ook structureler belastingen te heffen en kreeg onder hem de Bourgondische staat een staand leger. De toenemende macht van de staat bedreigde soms ook de stedelijke zelfstandigheid. Alkmaar kwam in de vijftiende eeuw twee keer in opstand en werd twee keer verslagen door het Bourgondische troepen. Alkmaar raakte hierdoor twee keer zijn stadsrechten kwijt. Ook Schagen overkwam dit in 1426.

De toenemende macht van de staat was ook een doorn in het oog van de kerk. De katholieke kerk die onder leiding van Innocentius III(1198-1216) op het hoogtepunt van haar macht was, verloor hierna snel terrein. In de 14e eeuw dwong de koning van Frankrijk de paus om naar Avignon te verhuizen. Vervolgens waren er tussen 1376 en 1415 meerdere pausen tegelijkertijd. Ook in het graafschap Holland perkten de graven de macht van de kerk in. Zo bepaalde Albert van Beieren in 1401 dat geestelijken in Alkmaar evenveel belasting moesten betalen. In 1446 verbood Filips de Goede samen met de Staten-Generaal kloosters om nog land te kopen of te erven.